Lang leve de duisternis

Ik was het vluchten moe. Ik kon niet meer. Onverbiddelijk kroop de schaduw naar me toe. En ze fluisterde…

– Kom dan, lief, kom dan. Zie je dan niet wie ik ben? Je ogen schieten heen en weer, alsof ze me niet helemaal durven aanraken. Lang vervlogen werkelijkheden kruipen omhoog tussen de scheuren van onze samenbundeling. Je overvloedig geloof in tekort wordt in wilde flarden op mij geplakt.

Ik weet het. Je wilt zo graag vrij zijn. Je wilt je vleugels uitslaan en eindelijk die oneindige ruimte verkennen die vol is van beloftes. Je wilt ongetemd genieten van elke vezel van het  wezen dat je bent. Maar je kunt niet, want je bent geketend. Je bent geketend aan mij.

En dus je trekt en je duwt, je probeert je van me los te scheuren, je schreeuwt, je sluipt, je negeert. Ik blijf echter aan je plakken als gitzwarte stroperige pek aan een vogel. Hoe meer je je wil loswrikken, hoe erger je jezelf inwikkelt met mij. Bijna ben je op het punt om te zien dat er geen weg-uit is.

Het is waar: de tijd is rijp. Overrijp. Je bent klaar om af te leggen, om los te laten en je te openen voor iets nieuws en groots. Als nu maar… denk je, terwijl je naar mij kijkt. Het enige wat ik kan doen, is jou eraan te herinneren: Er is niets dat jou tegenhoudt. Je was altijd al vrij. Je had zelfs de vrijdheid om te doen alsof je onvrij was. En je bent er klaar mee. Als nu maar… denk ik, terwijl ik naar jou kijk, en ik bid vurig dat je het ziet.

Met angstige ogen kijk je me aan. Natuurlijk geloof je me niet. Je weet zeker dat ik je bedrieg. Je herinnert je hoe ik je bedrogen heb – Ja, dat was jij, roep je, ik weet het zeker dat jij het was. Waarom zou je nu anders doen? Ik weet nog wel hoe je me hebt gekleineerd, vertrappeld en uitgespuwd. Niet meer, hoor je? Niet meer!

Ik zie hoe je weer denkt aan dat wat je ooit niet kon dragen omdat het te pijnlijk was, te groot, te moeilijk. Je zou verdronken zijn, je zou onder het gewicht bezweken zijn. ’t Is goed, zei ik toen, geef maar hier, ik hou het wel even voor je bij. – Fantastisch, zei je, dan kan ik verdergaan met leven, terwijl jij je ontfermt over dat wat nu dood lijkt. – Leef maar, zei ik, en ik wikkelde jouw mooie geschonden stukken in en ik onttrok ze aan je zicht. Je voelde hoe je lichter werd, hoe je opluchtte. Een zindering ergens aan de rand van je wezen was wat overbleef van iets wat wat je ooit was.

Al gauw vergat je, dat was deel van de afspraak. Je moest vergeten, anders werkte het niet. Maar ik moest je wel beloven dat ik je weer zou helpen herinneren wanneer je er klaar voor was. Koste wat kost. Want het kostte je een deel van jezelf.

Ondertussen is de vage vergetelheid beginnen woekeren als een schimmel en bedreigt het voortdurend het zorgvuldig opgebouwde evenwicht van jouw illusoire wereld. En dat is goed nieuws, want je wilt niet meer vergeten. Je wilt weten, het is tijd. Alle delen die ik ooit van je in bewaring kreeg, worden terug geroepen dankzij jouw appèl – dat het genoeg is. Dat je eindelijk wilt zijn wie je bent. En dus hier sta ik, te kloppen op jouw deur. Eén blik door het kijkgat echter, en je schreeuwt me dat ik moet maken dat ik weg ben. Maar ik zal blijven komen, opnieuw en opnieuw. Ik moet wel. Belofte maakt schuld.

Het is niet eens iets dat ik doe, het is wat ik bén: de yin van jouw yang. Jij en ik zijn de uiteinden van één en hetzelfde gebaar, en onze samenvloeiing is er één van pure intimiteit. Er is geen beweging die jij kan maken die mij niet beweegt. Ik ben het bewijs van jouw licht, jij bent de grond van heel mijn schepping.

Ga je tegen me in, zelfs al is het maar een fractie, dan is dat wat ik ben: jouw verzet. Beslis je om tegen me te strijden, omdat je gelooft dat ik in de weg sta van jouw potentie, dan is dat wat ik word. Wanneer jij je onmachtig voelt omdat je gelooft dat ik je ontkracht, dan is dat wat ik doe. Onvoorwaardelijk gehoorzaam aan jou, strek ik me uit en ga ik languit voor jou liggen zodat je niet meer doorkunt, en weet jij je – weer – gedwarsboomd.

Wanneer je me uitnodigt voor een theetje in je hart, dan zul je zien dat er nooit iets anders was dan jij.

En dan zullen we lachen, hartelijk.

Ik kijk naar je uit, mijn lief, en ik wacht.

De jouwe, voor altijd.